woord vooraf

Op de keukentafel ligt een schrift ter grootte van mijn hand, waarin staan opgetekend; de werkuren en zondagen, baten en uitgaven. Op zolder echter ligt een vel papier, zonder kant noch rand, onbereisd, een blad uit een boek zonder kop noch kaft…

… en nog vóór zondagnacht, verschuift altijd moeizaam het wonderbaarlijke naar het alledaagse, herschikt zich nog een keer de zin, bedenk ik vlug een naam voor wat ik zie.

Een potloodveld.
Aanvankelijk zou ik er geen ruchtbaarheid aan geven en de gelukskamer, die achterkamer gesloten houden. Maar wat heb je er dan aan?